Aikido in de praktijk

Alle lessen beginnen met aiki taiso: warming up en stretchoefeningen. Soms doen we aan het begin of het einde van de training ademhalingsoefeningen, kokyo ho. De meeste oefeningen worden gedaan met partners: de uke, letterlijk ‘degene die ontvangt’, en de tori, de ‘protagonist’. De rollen worden continu gewisseld, zodat je alle kanten van dit partner-principe kunt verkennen en ervaren. Sommige oefeningen worden alleen gedaan, met name ashi sabaki – voetverplaatsingen, tai sabaki – lichaamsverplaatsingen, en ukemi – rol- en valbreek technieken. Ook de kamae, de fundamentele lichaamshoudingen, worden alleen geoefend, omdat je dan niet de druk ervaart om tegelijkertijd op een aanval van de tegenstander te moeten reageren.

In de meeste Japanse vechtkunsten wordt getraind volgens de 3 K’s:

  • Kihon – de basisbewegingen en posities
  • Kata – combinaties van bewegingen in een vooraf vastgestelde volgorde
  • Kumite – vooraf gearrangeerd gevecht met een partner

In Aikido gebeuren deze drie dingen gelijktijdig, wat zorgt voor een natuurlijke, minder rigide manier van leren. Dit kan het echter soms moeilijker maken voor mensen die het prettiger vinden om lineair te leren.

Tijdens het ontstaan van Aikido hadden de technieken geen namen. O-Sensei vroeg om een aanval en reageerde daarop. Het was de bedoeling dat de Aikido-studenten vervolgens hetzelfde gingen doen. Zoals je je kunt voorstellen, ontwikkelden de studenten hierdoor een enorm observatievermogen. Deze gang van zaken past echter het meest bij culturen waar exact kopiëren een gebruikelijke manier van leren is. Tegenwoordig doen leraren een techniek 3 or 4 keer voor en besteden tijd aan uitleg. Desondanks blijft het voor de training van de coördinatie van lichaam en geest nog steeds nodig om je zintuigen en waarnemingsvermogen aan te scherpen.

De studie van Aikido zou eigenlijk de studie van riai moeten zijn, de fundamentele beginselen die aan alle Budo ten grondslag liggen. Alle technieken proberen te onthouden is zinloos, aangezien er een eindeloos aantal variaties mogelijk is. Voorbeelden van beginselen zijn timing, afstand, balans en focus. Zulke riai zitten, naast andere elementen, in elke techniek opgesloten, en het is de belichaming van riai, en niet het aantal geleerde technieken, die de echte basis vormt van martiale bekwaamheid.

De lessen beginnen en eindigen met ‘rei’, een buiging naar elkaar. Dit vindt ook plaats voorafgaand aan elke techniek. Het is een moment van respect naar elkaar, maar ook een verhoging van het bewustzijn: in wat je op het punt staat te doen zit een element van gevaar en dient als zodanig beseft te worden. We buigen ook wanneer we de dojo – letterlijk ‘de plaats van de weg’ – binnenkomen, om onszelf eraan te herinneren dat we iets speciaals gaan beoefenen en om ons bewustzijn te scherpen. Het woord ‘oefenen’ heeft in het Japans twee verschillende betekenissen: de eerste, keiko, betekent letterlijk ‘reflecteren op vergane tijden’ en verwijst naar de lange lijn van budoka (beoefenaars van budo) die ons voorgegaan zijn, en naar de ethische vraagstukken die deel zijn van de training. De tweede, renshu, heeft betrekking op de onophoudelijke oefening en herhaling die nodig zijn om de kunst meester te worden.

Aikidoka’s (beoefenaars van Aikido) dragen een keikogi, vergelijkbaar met een judo pak. Vanaf de eerste dan (zwarte band) wordt ook een hakama gedragen, een soort geplooide broekrok. Dit is een traditioneel kostuum voor budoka, en de zeven plooien staan symbool voor de zeven deugden van de Samurai:

Jin – Welwillendheid
Gi – Eer
Rei – Hoffelijkheid
Chi – Wijsheid
Shin – Oprechtheid
Chu – Loyaliteit
Koh – Vroomheid

Op deze manier is de hakama een voortdurende herinnering aan de karaktereigenschappen die je door een langdurige beoefening van budo kunt ontwikkelen.